Hervorming erfrecht

Op 1 september 2017 werd de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De bedoeling van die wetgeving was om het bestaande erfrecht te moderniseren.

Er zijn verschillende wijzigingen opgenomen en één van de belangrijkste wijzigingen is de beschikkingsvrijheid van de erflater. Het beschikbare gedeelte van de nalatenschap van de erflater, zijnde het gedeelte dat de erflater vrij kan toewijzen aan wie hij wil, werd vergroot tot de helft. Deze nieuwe regeling is ter vervanging van het huidige systeem waarbij het beschikbare gedeelte afhankelijk is van het aantal kinderen.

De reserve van de (klein)kinderen van de erflater wordt aldus beperkt in de nieuwe wetgeving. Om die redenen is er een compensatie opgenomen die toelaat dat de kinderen hun erfdeel kunnen ontvangen zoveel als mogelijk onbezwaard met het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot of wettelijke samenwonende partner.

Naast de vergroting van het beschikbare gedeelte tot de helft van de nalatenschap, werd eveneens de reserve van de (groot)ouders van de erflater geschrapt. De (groot)ouders behouden hun erfrecht nog altijd, maar door de afschaffing van de reserve bestaat er de mogelijkheid om hen te ‘onterven’. Zo kunnen bijvoorbeeld feitelijk samenwonenden zonder kinderen beslissen om hun volledig vermogen na te laten aan hun partner zonder dat zij nog rekening moeten houden met een bepaald reserve van hun ouders. Er werd in de wetgeving wel voorzien dat de ouders een onderhoudsvordering lastens de nalatenschap kunnen instellen indien zij behoeftig zijn.

Onder de oude wetgeving waren erfrechtovereenkomsten in principe verboden. De nieuwe wetgeving heeft dat verbod versoepeld door uitzonderingen te voorzien op het verbod op erfrechtovereenkomsten. Zo kan de erflater tijdens zijn leven een overeenkomst afsluiten, samen met zijn erfgenamen, die pas uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn overlijden.

Een andere uitzondering op het verbod van erfovereenkomsten handelt over de waarde van de geschonken goederen. Tijdens het leven kan er een overeenkomsten worden opgemaakt waarbij er de waarde van de geschonken goederen bij de schenking wordt vastgelegd met oog op onder meer de latere inbreng.

Ook de waarderingsregels van inbreng werden gewijzigd zodat in principe er een inbreng in waarde zal zijn van het geschonken goed en geen inbreng in natura. Het geschonken goed moet bij overschrijding van het beschikbare gedeelte niet terug naar de nalatenschap, aangezien er nu enkel rekening gehouden wordt met de waarde.

Die nieuwe wetgeving is in werking getreden op 1 september 2017, met uitzondering van enkele overgangsbepalingen.

De regel is dat de nieuwe wet van toepassing is op testamenten en schenkingen die dateren van voor de nieuwe wet. Er werd echter een overgangsbepaling opgenomen dat partijen gedurende een periode van een jaar een verklaring kunnen afleggen voor de notaris waarin zij opnemen dat de oude wetgeving ten tijde van de opmaak van het testament en / of schenking van toepassing blijft. Voor de regels inzake schenking is het nuttig om na te gaan of het aangewezen is om zulk een verklaring af te leggen voor de notaris.

DE MAXIMALE AANHOUDINGSTERMIJN VOOR ALLE STRAFBARE FEITEN OPGETROKKEN TOT 48 UUR

Vanaf 29 november 2017 mogen verdachten voor alle strafbare feiten aangehouden blijven tot 48 uur. Dat is dubbel zo lang als voorheen.

Volgens de wetgever is die extra tijd fundamenteel om efficiënt te kunnen strijden tegen allerlei steeds complexer wordende vormen van criminaliteit.

Zowel de Grondwet als de Wet op de Voorlopige Hechtenis werden aangepast.

De Grondwet voorzag oorspronkelijk in artikel 12 dat – buiten de gevallen van ontdekking op heterdaad – niemand kan worden aangehouden dan krachtens een met reden omkleed bevel van de rechter dat moet betekend worden bij de aanhouding of uiterlijk binnen de 24 uur. Zonder rechterlijke tussenkomst konden verdachten van strafbare feiten slechts gedurende 24 uur in de cel gehouden worden.

Die maximale aanhoudingstermijn van 24 uur bleek in de praktijk veel te kort. Strafzaken worden complexer. Daarnaast zorgt de opkomst van het terrorisme ook voor bijkomende onderzoeksuitdagingen.

Bij de inwerkingtreding van de Salduz-wet, werd artikel 15bis reeds ingevoerd in de Wet op de Voorlopige Hechtenis. Dit artikel gaf de onderzoeksrechter in bijzondere omstandigheden de mogelijkheid om de vrijheidsberoving te verlengen met een duur van maximum 24 uur, doch deze procedure bleek in de praktijk te complex te zijn.

De wetgever is daarom met een oplossing gekomen: de maximale aanhoudingstermijn zonder tussenkomst van een rechter wordt voor alle misdrijven verlengd tot 48 uur .

Artikel 12 van de Grondwet werd aangepast als volgt: ‘behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met reden omkleed bevel van de rechter dat uiterlijk binnen 48 uur te rekenen van de vrijheidsberoving moet orden betekend en enkel tot voorlopige hechtenisneming kan strekken.’

Ingevolge dit nieuwe artikel zal er geen enkele uitzondering mogelijk zijn op de algemene regel om iemand 48 uur vast te houden zonder tussenkomst van de rechter. Voor een verdere vrijheidsberoving na maximaal 48 uur zal een ‘bevel tot aanhouding met het oog op de voorlopige hechtenis’ moeten uitgevaardigd worden.

De Wet op de Voorlopige Hechtenis werd ook aangepast. Ook daar wordt de nieuwe termijn van 48 uur ingevoerd. Artikel 15bis van de Wet op de Voorlopige Hechtenis werd geschrapt.

Ook in het kader van het Europees Aanhoudingsbevel wordt de oorspronkelijke termijn van 24 uur vervangen door 48 uur.

Derhalve is thans voorzien in een uniforme regeling waarbij de maximale aanhoudingstermijn voor verdachten van alle strafbare feiten bepaald wordt op 48 uur.

De Minister van Justitie en Binnenlandse Zaken zullen de toepassing van deze nieuwe termijn opvolgen. In 2020 wordt een grote evaluatie gepland.

RISICO ONONTVANKELIJKHEID WEGENS GEBREK AAN INSCHRIJVING IN KBO VOOR ACTIVITEIT

Zoals u waarschijnlijk weet, dient iedere onderneming of vestigingseenheid in België ingeschreven te worden in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Als gevolg hiervan krijgt de onderneming of vestigingseenheid een ondernemings- of vestigingseenheidsnummer. Dit is hun uniek identificatienummer.

De inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen moet conform artikel III.18 van het Wetboek van Economisch Recht (W.E.R.) allerlei gegevens omvatten, waaronder de door de onderneming uitgeoefende economische activiteiten.

De inschrijving voor de uitgeoefende activiteiten is erg belangrijk. Artikel III.26 §2 W.E.R. bepaalt immers dat, hoewel de handels-of ambachtsonderneming wel is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, de vordering onontvankelijk is.

Het gaat hierbij om een dubbele ontvankelijkheidsvoorwaarde. Het Hof van Cassatie besliste in haar arrest van 8 februari 2013 immers dat deze sanctie van toepassing is op de ondernemingen die weliswaar in de Kruispuntbank zijn ingeschreven, maar waarvan de inschrijving ofwel niet de activiteit betreft waarop de vordering gesteund is ofwel niet beantwoordt aan het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven. Van zodra er niet voldaan is aan één van de voorwaarden, is er sprake van onontvankelijkheid.

Er moet dus steeds een inschrijving zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen voor die activiteit waarop de vordering gebaseerd is. Er moet sprake zijn van een juiste inschrijving. Zo niet, is de vordering onontvankelijk. Wel is het zo dat de onontvankelijkheid als eerste, voor elke andere exceptie of verweermiddel, ingeroepen moet worden.

Het is voor u als onderneming dan ook erg belangrijk dat u correct bent ingeschreven voor de door de onderneming uitgeoefende activiteiten. Daarnaast, indien een onderneming een vordering ten aanzien van u stelt, kan het de moeite lonen om na te gaan of de onderneming wel correct ingeschreven is voor de activiteit waarop haar vordering gebaseerd is.

Indien u hieraan twijfelt of indien u hieromtrent vragen heeft, kan u steeds met ons contact opnemen.